/3/Nademaal dat ik reeds lang in overweging had genomen in dit voorjaar van 1851 een reijs te maken naar Engeland, wierd na rijpe overweging besloten om op den 13 Maart de reijs aan te nemen. En wel over Kampen na Hull uit hoofde men mij had verzekerd dat het vandaar naar Sunderland slechts 3 uur reijs met de spoortrein zoude zijn.4
's Morgens halftien uren wandelde ik met broeder Abr[aham] naar de Oostwoldmerklap.5 Terwijl ik 's morgens mijne koffer met het schip had verzonden om reden dat ik niet voor 's avonds 11 uren uit Groningen konde vertrekken, was mijne waarde vrouw erop gesteld dat ik niet zoo vroeg zoude vertrekken, terwijl ik dan ook nog die nacht mijne behoorlijke nachtrust zoude moeten ontberen en de tijd te Groningen vanaf middag tot avond laat zeker toereikend genoeg was mijne bezigheden aldaar te verrigten.6
Na weinig vertoeven te Oostwoldmerklap kwam de schuit na Groningen alwaar ik te tweede maal van mijn eenige broeder afscheid nam.7 Deze afscheid en die van mijne gade, vanwaar ik voor 1½ uur vertrokken was, maakte opnieuw een grote indruk op mijn gemoed, terwijl ik bij den afscheid van huis bijkans niet meer spreken konde.
Goed en wel kwam ik te Groningen aan. Een zeer goed middagmaal bij onze waarde vriend Hildesheim ontbrak het niet.8 En veele soorten van lekker gebaks was reeds door de nigtjes en neef aldaar aanwezig, zoowel voor mijn persoon op de reijs te gebruiken, evenals aan zuster te Sunderland voor geschenk aan te bieden.
Nademiddag ging ik natuurlijk bij hun de nodige afscheid nemen onder belofte van 's avonds nog eens terug te komen, benevens bij eenige bekenden en vrienden /4/ alwaar ik en passant nog eene boodschappen te verrigten had.
Als toen mijne eerste plicht betracht om aan mijne vrouw eenige letteren te schrijven, waarop zij immer zo zeer gesteld is. Te meer daar ik bij deze gelegenheid ontdekt heb hoe zorgvuldig zij voor alle mijne benodigde gezorgd had en tevens eene zoo grote opoffringene heeft prijs gehad, daar zij gezien heeft dat het ernst was om mij niet alleen van mijne voornemens af te raden maar zelfs voor alles zooveel mogelijk te zorgen.
Om half 11 uren wierd ik door mijne vriend Hildesheim en aangehuwde neef A. Godschalk9 begeleid na de Nieuwe Munster10 alwaar de diligenti naar Zwol en Kamper bootwagens afreijd11 , alwaar ik zeer verontrust wierd dat ik geene plaats tot Kampen konde bekomen terwijl zij mij de verzekering niet konden geven dat er een Kamperboot vaart op Hull niettegenstaande ik eerst de reijs over Harlingen heb willen ondernemen, maar omdat het bepaald was dat ik van Hull zoude worden afgehaald, heb ik maar besloten om bij de eerste bepaling te blijven, mede uit hoofde dat in de eerste plaats de annons in de couranten wegens de vaart van Campen op Hull visa versa zelfs gelezen heb en eindelijk de heer Frigge12 ook wel zelf in de verbeelding was, dat het wel goed zoude zijn.
Met de klokslag van 11 uren is het vertrekken van Groningen na hartelijke afscheid van mijne vrienden. En daar het nu in de nacht is en zonder licht in de wagen heb ik geene gelegendheid de reijs tot Meppel aan te noteeren, alwaar wij reeds voor 5 uren zijn aangekomen en voor het eerst een kop thee te hebben gebruikt, terwijl ik aan generlij behoefte had uit hoofde ik te voren wel gegeten en gedronken had.
Bij mijne ankomst te Zwol informeerde ik mij natuurlijk wegens mijne voorgenomene reijs naar Hull. Zelfs op de kantooren der onderscheidene diligents 13 /5/ was zulks niet te ondekken. Eindelijk bij de logementhouder Frankforter14 ontwaarde ik dat wel de boot vaarde, echter niet zeer geregeld. Mijne reijsgenoten hadden mij geraden om direkt met de boot op Amsterdam en Rotterdam mede te gaan om vervolgens des anderdaags vandaar naar de Engelsche boden af te reijzen. Hierin konde ik echter niet besluiten, om reden dat ik heden den 14 niet, voordat het reeds een paar uren den sabath inging, te Rotterdam konde aankomen en alsdan op den sabath opnieuw aan boort te gaan. Ik ben eevenwel dadelijk geresolveert om met de boodwagen naar het Kamperveer te gaan alwaar de stoomboot van Zutphen aankomt en de passagiers opneemt over Kampen en Amsterdam; eene nieuwe dienstregeling van het begin van dit voorjaar te half 11 uren.15 En was ik reeds goed en wel te Kampen aangekomen, alwaar ik spoedig ontwaarde dat er wel een boot op Hull vaarde ofschoon 's avonds dezelfde nog niet was aangekomen.16
Zaterdagmorgen den 15e Maart was de tijding dat de boot van Hull in de Ketel vastzat en dat van de lading aldaar moest uitgelost worden uit hoofde van het lage water.17 Dit was al eerst eene troost en was zelfs blijde dat ik de reijs na Rotterdam niet had aangenomen, om reden dat ik te Kampen zeer goed aangeland ben: ten eersten bij de kastelein Van Leeuwen18 alwaar ik eerst na eenige verversingen te hebben gebruikt en mij vervolgens bij den goeden vleeshouwer Koppel19, een grijsaard van 95 jaren, heb begeven alwaar ik den sabath later grotendeels heb doorgebragt, dewijl ik aldaar eene zeer gulle en beste bediening heb genoten, niet alleen men volstrekt geene beloning daarvoor wilde hebben, zij mij nog genoeg willen op reijs mede geven. Indien de Eeuwige mij in 't leven spaart zal zulks lang in mijne geheugen ... [tekst weggevallen]. /6/ Terwijl zoo mij die die goede oude Koppel verklaarde dat het reeds 250 jaren is geleden dat ook zijne grootvader te Kampen geleefd heeft. Tot teken van goed gedrag heeft de regering, zijn portret voor een jaar - gemaakt met een koe aan de hand - vervaardigd, aangekocht voor eene somma honderd rijksdaalders en op de stadssecterie geplaatst.20
Ook had ik het genoegen bij mejufrouw de wed. Berghuis21 aldaar en hare kinderen an wien ik eene schriftelijke complementen bragte van de heer A.S. Landweer22 en met eens naar hunne welvaart en informeerde, terwijl Z[ijne] E[dele] aldaar ten tijde der onlusten in 1830 in kwartier is gelegen23, dewelke ook zoo zeer verheugd waren eens eene goede narigt van hem te ontvangen, weshalve zij mij verzochten een brief weder mede te geven ten einde hare oude vriend die zij zoo zeer als lid van hare huisgezin achten een en ander bijzonderheden wilden mededeelen. Waaraan dan ook gevolg is gegeven.
Zaterdag tegen den avond wierd ik in het logement bij Van Leeuwen gewaar dat de boot zelfs aan de kade was aangekomen alwaar ik direkt na toe ging om mij hiervan te overtuigen. Bij de heeren gebr. van Hasselt24, expideteurs en mede het bevel hebbende de boot, verklaarden mij dat de boot pl[us] m[inus] 9 uren weder zoude afvaren, hetwelk mij geene kleine blijschap veroorzaakte.
Ik begaf mij derhalve dadelijk na den uitgang der sabath met mijne bagazie an boord ten einde bij de heer Van Hasselt nog over eenige handelsbetrekking te spreken. Hetwelk dan ook geschiede.
Eindelijk te ruim 9 uren was het tijd van varen. De wind was mooij, de vooruitzicht dierhalve mooij en schoon. Maar spoedig was deze blijdschap ten einde uit hoofde de bood nu aldaar aan de grond vast was. Ik was wederom geduldig in mijn zaak uit hoofde ik tog niets er aan doen konde, wij waren eenige schreden van de legplaats verwijderd, de toegang naar de wal /7/ was zelfs belemmert.
Ik had mij dan eindelijk ter rust begeven op God vertrouwende dat alles naar Zijne goede wil ten goeden bestuurd zal worden. Ten 1 uur 's nagts ontwaakte ik door de beweging van de boot, zoowel als de machiene in werking was, terwijl de wind veranderd was en de tegenwind nu een gunstige invloet had gemaakt uit hoofde het water daardoor gewassen was. Ik begaf mij direckt na boven op het dek. Spoedig daarna had ik het genoegen dat onze goede loots Pieter Dijke 25, woonachtig aan het Nieuwe Diep, de eenige Hollander aan boord zijnde, behalve mijn kastelijn Van Leeuwen en een kandidaat notaris Zwanenburg26 te Zwol, die mede naar het Nieuwe Diep vertrokken. En dat gemelde Pieter Dijke een matroos van onze boot het leven redde, terwijl deze met de jol een en andere zaken te verrigten had, hij viel in het water en zoo de loots hem niet gered had, die zich op eene zeer behendige manier heeft ter neder gelaten, zoude hij zonder twijfel zijn omgekomen. De kapitein was evenals alle ovrige personen alle Engelse27, de stuurman was deszelfs zoon, deze was echter zelfs bij 't eeten noch drinken niet in de kajuit, maar eene dogter van ruim 17 jaren had deze reijs voor plazier mede gemaakt, die tevens van tijd tot tijd eenigzins bediende, terwijl de loods zich dikwijls bij ons in de kajuit bevond hetgeene mij telkens aangenaam was. Tewijl ik de goede kapitein, die zeer welwillend was, even zijne dochter, konde ik niet met hun spreken. Zelfs bij het an boord gaan had hij zijne eenige potter28 vles ten geschenke op de goede reijs ingeschonken.
Onze een reijsgezel de heer Zwanenburg spreekt ook gedeeltelijk de Engelsche taal.
Het is nu zondagmorgen 16 maart. /8/ Het wordt eens weder tijd om zich weder op het dek te begeven. Wij zijn nu zoo het schijnt het eiland Wiering29 reeds gepasseert, koers zettende naar onze distenatie.
Ik heb mij dan ook geinformeerd naar de drenkeling die reeds weder geheel hersteld was, eene beste gelegendheid bij de maciene tot verwarming is natuurlijk op een stoomboot, dewijl men hem dadelijk van droge kleding heeft voorzien en alles is wel.