Te half 12 uren waren wij aan de haven van 't Nieuwe Diep30 , alwaar wij tweemaal geheel in 't ronde zwaaijden en onze 2 passagiers werden aldaar met een bootje an wal gezet. Spoedig werd ik toen opnieuw verontrust, terwijl aan de kapitein werd toegeroepen om 10 last tare [tarwe] te kunnen inladen. Het heeft dan ook het gevolg gehad dat mijne vrees voor oponthoud is nagekomen bij het inladen van deze. Toen het gedaan was, was het reeds 4 uren en nademaal de noordweste wind hevig begon te worden, zoodat de kapitein en loots het goed vonden te blijven.
Bij de aankomst op 't Nieuwe Diep had ik het genoegen een menschenvriend de heer J. Arts, firma Arts en Van Velden van Doorn 31 aan te treffen, die dan ook de makelaar van de tarve was. Deze vriend heeft mij in de eerste plaats alhier gerecomandeerd tot inkopen van Engelsche souvereinen.32
Eindelijk zijn wij te samen naar 't Heeren logement33 gegaan alwaar ook coffiehuis &c is. Ik had het genoegen deze vriend een glaasje citroen met suiker aan te bieden en wij bragten aldaar een uurtje in genoegen door aangezien wij wederzijds over een en ander, handelsbetrekkingen en anderzins, konden onderhouden en den eene van den ander weder iets konde /9/ oplossen.
Nu wandelden wij weder naar de haven en juist trof mij het genoegen dat een sleepstoomboot een vol geladen Oostindievaarder34 agter aan had, die maar zoo regelregt de haven binnen kwam, een weinig later een Westindische vaartuig35 even met volle lading komt snel de haven binnen. Hoe verheerlijkt en nuttig voor mij dit aangename gezigt. De haven alhier is een prachtvoll gezigt, die zoo ruim en rojaal is dat de Oost- en Westindische schepen zoo mede de oorlogschepen met zijl en trijl erin komen vliegen.
Nademiddag ben ik met de kapitein zijne dogter bij de goede loots P. Dijke aan zijn huis zeer wel ontvangen. Zijne hoogzwangere vrouw36 aarzelde niet met het gereed maken en schenken van een goed kop thee met vijne soorten van wit brood en andere eetbare spijzen wierd ons voorgedient. Ofschoon ik dit eeten niet mogte gebruiken, was de goede daad dezer vrouw even lofwaardig en terwijl dit nog niet genoeg was, wierd later weder coffij met lekkers opgebracht.
En tegen den avond had ik had ik besloten om mijn gemak er af te nemen om in het logement alwaar ik overdag een borreltje gebruikt had te gaan logeren ten einde aldaar mijne leeden wat beter te kunnen uitrusten, terwijl ik tevens met den loots goed afgesproken had indien het opweerde mij aldaar te wekken.
Voor 5 uren 's morgens was ik in de verbeelding dat er geklopt wierd en ik was terstond bij de hand, dit was echter niet zoo. Het had zelfs des nachts nogal aanzienlijk gestormd. Ik begaf mij zeer spoedig aan boord, maar alles was in stilte hoewel ik een uur tijd aan boord gebleven ben. En vervolgens naar de sijnagoge37 gegaan ben, hetwelk een groot einds was en wegens het buiachter weder was ik met de pet op er na toegegaan, temeer omdat men aldaar weinig iemand /10/ met de hoed op ziet gaan. Zelf naar 't coffijhuis trof ik aldaar overdag het meest met de pet op aan.
In de sijnagoge had ik echter berouw uit hoofde ik agter het hek op de zoogenaamde armenbank moest blijven. Dit was niet alleen dat ik aldaar zoo verwezen was, maar konde zelfs de nodige gebeden van den vastendag niet mede uitspreken, omdat ik geen boek konde magtig worden. Dat was alzoo vooreerst een kleine kastijding en rekende het voor eene boetvaarding dewijl het onmogelijk was op zulk een reijs de vastendag te houden.
Bij de terugkomst uit de sijnagoge van De Helder heb ik mij dan in het logement in een zeer net vertrekje verkwikt met een lekker kop koffij, alwaar ik een stuk lekker gebaks van mijne goede vriend Hildesheim van Groningen bij gebruikte, terwijl ik des avonds te voren ook niets gegeten had, temeer omdat ik toen in de zaal koffij had gedronken, waardoor ik gezeneerd was om van mijn zelve iets te nuttigen en uit hoofde ik 's nademiddags laat gegeten had, was mijne behoefte ook zeer gering.
Nu begaf ik mij wederom naar den haven, alwaar ik het genoegen had het aldaar liggende oorlogsschip te bezigtigen, zoowel van binnen als buiten. Er wierd mij een gids mede gegeven en alles aangewezen. Bij het afgaan van het schip ontmoete ik weder mijn vriend de heer J. Arts, die mij volstrekt niet wilde los laten om naar het op de hoek van de haven staande zoo en zeer aangenaam gezegt coffijhuis te gaan om mij wederkerig op een glaasje met het een of ander te mogen aanbieden. Waaraan ik natuurlijk bewilligde en nadat wij aldaar weder zoowel over handelszaken als anderzins gesproken hadden, weshalve zijn edele mij bij zijne correspondent te Hull had aangerecomandeerd hetgeen netto uitkwam, zooals de heer Van Hasselt te Kampen mij verklaard had.
Nadien ik zelf nog een wissel /11/ van 50 pond had genomen, terwijl deze thans geene souvereinen meer had.38 Het was mij dus genoegelijk dat ik mij wel verbeelde, ofschoon aldaar zoo lang te moeten wagten, tog wel de regten en goeden weg te zijn ingeslagen dewelke mij te avond of morgen eens te stade zoude komen, waardoor ik dan ook zeer gelaten en geduldig de tijd zoude afwagten.
Eindelijk komt onze goede loots en geeft te kennen dat wij te 12 uren heden middag, zijnde 17 maart, zouden vertrekken. Het welk dan ook is geschied. Wij waren reeds om 12 uren de haven te buiten en omstreeks 1 uur waren wij meteen in de wind en harde ... buiten gevaar van de gronden in zee gekomen. En de boot slingerde en stootte door de golven dat het mij somwijlen genoeg was. Niettegenstaande op God vertrouwenden met volle moed, dan eens liggen en somwijlen naar boven, ontdekte ik te 5 uren dat de wind gunstig geworden was: Noord-Oost in plaats van Noord-West. En te 6 uren waren dan ook reeds de zijlen erbij en de koers die genomen was op de Humbre [Humber] maakte een gunstige invloet en mijne ongenoegen over de teleurstelling om niet op de tijd over te komen, is door gedult over het Almachtig bestuur verder zonder twijfel ten goeden gebeurd. Het was beter goed aan 't Nieuwe Diep gebleven dan in die storm in zee te zijn, want ligtelijk waren onze kolen opgestookt en niet veel geavanceerd. En met genoegen ben ik zoowel met de kapitein, de heer David, even Bredge, zijne dochter, even met de stuurman in de beste harmonie die zoo welwillend zijn. Het eenige mankerende dat ik niet met hen kan spreken. Hoe hart mij dit nu ook valt voor 't eerste mijns levens zoo lang ik behoorlijk mij geheugen heb, kan ik nu in de sijnagoge de Historie van Esther bij het ingaan des Poerimfeest niet aanhoren, weshalve ik mijn zoo zeer kleine in mijn jeugd zelve op perkament geschreven מגילה Magilla39 voor de dag haalde ten einde aan mijne plicht ter lezing te voldoen. Maar het nog zware stoten doordien de boot /12/ zoo op en neer door de golven slingerde, maakte een onmogelijkheid uit deze kleine geschrift met die beweging te onderscheiden de lengte van de geheele geschiedenis van de Historie van Hester met het parkement dat nogal zwaar is, was slegts een vinger lang dik, was dierhalve genoodzaakt het lezen daarvan te staken en moest mij dan met het gewone avondgebed vergenoegen.
Later wat gegeten en gedronken te hebben, begaf ik mij weder ter ruste. Niettegenstaande ik met leunigstoel bij de kachel eene goede plaats had, was mij het liggen door de holte der zee op 't gemaklijkst en heb deze nacht ten goeden doorgebragt.
Dingsdagmorgen den 18e goed en wel mij eenigzins teregt gemaakt nadat mij het waswater en alles zeer goed door de kapitein zelve was ter hand gesteld, heb ik eindelijk op dek de Magella gelezen. Later weder mijne morgen ontbijt te hebben gebruikt, alstoen ging eens in de machienekamer om ook voor tijdverdrijf wat te doen te hebben.
Thans zijn wij 24 uren later als wij vertrokken zijn, kort bij de Engelsche wal in 't gezigt. Te half 2 uren had ik het genoegen na alhier reeds veele grote schepen in het verschiet te hebben, het eiland Spooren [Spurn Head] met hooggebouwde ronde vuurtoren te passeren.40 Zeer genoeglijk dat de grote menigte van schepen aldaar gezien worden. Hoe zeldsaam bij ons een schip met 2 masten gezien wordt, is hier alles in 't groote. Twee en drie masten en stoombooten van allerlij aard is de order van de dag. Ik had alstoen druk met het zien totdat het eindelijk tijd wierd mijne zaken bij elkander te maken, terwijl wij te half 5 uren door Gods zegen behouden en wel in Hull zijn aangekomen.
Onder geleide des ambtenaar ging men naar het kostumehaus41 , alwaar mijn koffer en trom wierd nagezien en alles goed bevonden was. Zonder eenige kosten, behalve dat de sjouwerslieden daaraan wat verdienden, die mij /13/ onder begleiding van onze goede loots in het logement bij mister H. Summers, Wellington Hotel, Mytongate.42 Een buitengewone geluk trof mij aldaar dat de jufrouw zoo wat Hollands en Duitsch sprak, en zij mij vertelde dat er gister een jong mensch uit Sunderland was geweest om een passagier van Hull af te halen en dewijl de boot van Rotterdam aan was en de passagier, op mij bedoelende, er niet in was, weder vertrokken zijnde. Dit was alzoo eene grote troost voor mij dat ik met de jufrouw konde spreken, temeer daar ik misschien door koudevatting het erg in de rug bekomen had, weshalve ik de stad Hull niet zoo goed konde bezien, terwijl mij in de eerste plaats het gaan zeer moijelijk viel ten anderen den spraak niet magtig en ik besloten had mij den anderen morgen met de eerste spoortrein naar mijne bestemming naar Sunderland te gaan vertrekken.
's Avonds wordt ik nog weder door de kapitein en loots bezocht, die ik dan ook daartoe had uitgenodigd, die ik dan ook op goed bier getracteerd heb. Later heb ik mij nog een weinig met de jufrouw domino gespeeld en onder dit bedrijf heeft zij aan haar Duitsche bediende besteld om te zorgen dat er voor 6 uren morgenvroeg een vigilante43 aanwezig was om mij naar de spoortrein te doen bezorgen en ik mij derhalve met mijne stijve rug niet wel vertrouwde te gaan wandelen. Heb ik mij dus van het geheele Poerimfeest moeten onthouden en heb mij vroegtijdig ter rust begeven.